In het stille Cannaregio, waar twee kanalen samenkomen aan de Rio di Noale, ging op 30 maart van dit jaar voor het eerst in bijna zes eeuwen de voordeur van Palazzo Donà Giovannelli open voor mensen die er niet wonen. Het paleis uit 1432 is sinds die dag een hotel, het tweede onder de naam Orient Express Venezia. Dat ligt al gevoelig: een Venetiaans paleis dat eindelijk geen privébezit meer is, maar 47 hotelkamers waar gasten in en uit lopen. De vraag is vooral hoe je zo'n gebouw renoveert zonder dat de geschiedenis er aan alle kanten uit valt.
Zes eeuwen achter dezelfde voordeur
Het paleis werd gebouwd in 1432, kort na het hoogtepunt van de Venetiaanse handelsmacht, en is sindsdien achter elkaar bewoond door patriciërsfamilies. Onder de Donà en later de Giovannelli's bleef het pand een privéresidentie, ook toen de 19de-eeuwse architect Giovanni Battista Meduna een ingrijpende verbouwing uitvoerde en het paleis een achthoekige trap meegaf. Die trap is nog steeds het ruimtelijke hart van het gebouw. Tot voor kort kon je er als buitenstaander niet zomaar binnen, behalve voor af en toe een besloten evenement.
Vergelijk dat met andere oude panden die deze eeuw eindelijk een publieke functie kregen, zoals het Utrechtse schoolgebouw uit 1903 dat nu rechters opleidt. Ook daar speelde de vraag hoe je een gebouw een nieuwe rol geeft zonder zijn ziel weg te halen.
Acht jaar achterlopen op een deadline
Eigenaar is Arsenale Group, het Italiaanse hospitality-collectief dat ook de Orient Express La Dolce Vita-trein exploiteert. De groep kocht het paleis en zette de Parijse architect en interieurontwerper Aline Asmar d'Amman aan het werk. Acht jaar later ging het hotel open. Die looptijd komt niet door luiheid maar door regelgeving: monumentenwetten in Venetië verbieden zo ongeveer alles wat je in een vergelijkbaar pand op het vasteland wel zou doen. Asmar d'Amman, bekend van haar werk aan het Parijse Hôtel de Crillon en samenwerkingen met Karl Lagerfeld, ontwierp 47 kamers, suites en residences zonder bestaande wandschilderingen over te schilderen of belangrijke vloeren te vervangen.
Praktisch betekende dat: meubels die over de bestaande structuur heen worden geschikt, niet andersom. Elke deur, elk kozijn, elke geschilderde fries moest geïnventariseerd en ontzien worden voordat er ook maar één steen werd verzet. Voor de meeste hotelketens is dat een onverkoopbaar tempo. Voor een 47-kamer luxehotel waar suites boven de 10.000 euro per nacht uitkomen, is acht jaar planning en uitvoering verteerbaar.
De fresco's van Hayez als opdracht én probleem
De grootste verantwoordelijkheid was het behoud van het werk van Francesco Hayez. De 19de-eeuwse romantische schilder, in Italië bijna een nationale held door zijn schilderij Il Bacio, beschilderde meerdere ruimtes in het paleis. Die fresco's overleefden eeuwen Venetiaans kanaalvocht, doorzakkende vloeren en wisselende eigenaren die niet altijd wisten wat ze in huis hadden.
Asmar d'Amman koos ervoor om de schilderingen niet alleen te conserveren, maar er ook geen lampen, kunst of meubels meer voor te zetten die om aandacht zouden vragen. In sommige kamers betekent dat een opvallend lege wand: bed met afstand tot de muur, geen kunst, geen consoles, alleen het fresco zelf. Voor een vijfsterrenhotel is dat ongebruikelijk, want daar is de wand normaal de meest gestylede plek.
Dat zelfde principe, weghalen in plaats van toevoegen, zie je terug in ander hedendaags interieurwerk. In slaapkamers is dat zichtbaar geworden in design dat licht in lagen gebruikt in plaats van één centrale plafondlamp: minder dominantie van bovenaf, meer ruimte voor wat al in de kamer staat.
De achthoekige trap als ruimtelijke spil
De trap die Meduna in de 19de eeuw inbouwde, toen het paleis al vierhonderd jaar oud was, is een achthoekige spiraal in steen. Voor wie zich onlangs verbaasde over de achthoekige woontoren Front in Nijmegen: een achthoekig grondvlak is bepaald geen modern verzinsel. In het paleis is de trap zo prominent dat Asmar d'Amman besloot om alle andere routes erom heen te organiseren in plaats van een eigen serviceomloop ernaast te bouwen. Gasten lopen er meerdere keren per dag langs, ook als ze geen kamer op die etage hebben. Dat is een radicale keuze in een gebouw waar je normaal liever extra liften en personeelsroutes ergens uit het zicht trekt.
Het zorgt ook voor iets onverwachts: de trap is geen logistieke voorziening maar een soort plein in verticale vorm. Gasten ontmoeten elkaar daar zonder dat het ergens een lobby heet.
De Heinz Beck-keuken op een Venetiaanse vloer
Een hotel van dit kaliber heeft een chef nodig die zich verhoudt tot de rest van het verhaal. Arsenale Group koos Heinz Beck, de Duits-Italiaanse chef die met La Pergola in Rome al jaren drie Michelinsterren heeft. Hij richt zich in het hotel niet op Romeinse maar op Venetiaanse keuken: kalfslever alla veneziana, baccalà mantecato, regionale producten uit de Venetiaanse lagune. Dat lijkt evident, maar veel buitenlandse chefs die in Venetiaanse hotels gaan koken komen met hun eigen signature-menu in plaats van met respect voor het gebied. Beck doet uitdrukkelijk het tegenovergestelde.
Waarom Venetië dit model niet kan negeren
Venetië heeft de afgelopen tien jaar een toeristenstroom verwerkt die de stad fysiek beschadigt, met overweldigende aantallen dagbezoekers die geen kamer afnemen, niets eten en alleen door de straten lopen. De recente toeristenbelasting voor dagjesmensen en het wegsturen van grote cruiseschepen uit het Giudecca-kanaal zijn pogingen om dat te keren. Tegelijk staan honderden Venetiaanse paleizen in een grijze tussenzone: te duur voor privébewoning, te beschermd om commercieel grondig te slopen of te splitsen.
Wat hier in Cannaregio gebeurt, lijkt op een sjabloon: een vermogende koper, een architect die zich gedraagt en een eindgebruik dat geld oplevert zonder dagjesmensen aan te trekken. Hotelopeningen elders, zoals de heropening van Sveti Stefan in Montenegro, laten zien hoe gevoelig dit type project ligt bij lokale gemeenschappen. Of het Palazzo Donà Giovannelli-model uitgebreid kan worden naar tientallen andere Venetiaanse paleizen, is precies de vraag die de stadsraad de komende jaren moet beantwoorden.
Voor wie er een nacht wil verblijven om zelf de fresco's en de trap te zien: prijzen beginnen rond 1.500 euro voor de instapkamer, met suites die ver in de vijfcijferige bedragen lopen.