De 29e editie van de Reynaers Projectprijs staat in de startblokken, en dat is dit jaar nog iets tastbaarder dan anders. Uit zeventig inzendingen hield de vakjury vier Nederlandse projecten over, en in juni beslist het publiek wie er met de titel vandoor gaat. De finalisten verschillen zo sterk van elkaar dat ze samen ongeveer alles laten zien waar de Nederlandse architectuur in 2026 mee worstelt. Een zwevend vakantiehuis op de Veluwe, een voormalig overheidskantoor dat een BREEAM Excellent-certificaat pakt, een woontoren van 109 meter op Strijp-S en een vooroorlogs ziekenhuis in Rotterdam dat woningen werd zonder zijn karakter te verliezen.
Dolmen op de Veluwe, zo licht als een boomstam
Architectenbureau Space Encounters ontwierp op de Veluwe bij Arnhem een privé vakantiehuis dat op drie poten staat en tussen de boomkruinen lijkt te zweven. De jury omschrijft het als een speelse en doordachte plek, en dat klopt: het volume raakt de grond nauwelijks en de bewoners zitten vrijwel op ooghoogte met hun eigen bos.
De gevel combineert houten bekleding met grote aluminium schuifpuien. Die materiaalkeuze is geen toeval. Hout hoort bij deze natuur, de slanke onderhoudsvrije aluminium kozijnen zorgen ervoor dat het raam niet in de weg zit van het uitzicht. Luiken maken het huis bij afwezigheid dicht als een geheime hut. Het effect is een gebouw dat de Veluwe niet domineert maar omarmt, en dat past in een bredere beweging waar je in de terugkeer van zwaardere materialen aan de gevel ook de weerslag van ziet. Minder statement, meer materiaalbewustzijn.
Bastion Zuid ruilt overheidsbunker in voor atrium
In 's-Hertogenbosch transformeerde BiermanHenket een voormalig kantoor van Rijkswaterstaat tot een modern werkgebouw met de allure van een boetiekhotel. Bastion Zuid staat op de Zuidwal, tussen natuurgebied Bossche Broek en de historische binnenstad, en draagt een BREEAM Excellent-certificaat. Dat is geen decor, dat is in 2026 de nieuwe ondergrens voor iedere grote kantoortransformatie die zichzelf serieus neemt.
Het oude volume kreeg een centraal atrium dat het gebouw met daglicht vult. De gevel werd opgedeeld in drie registers. Aan de straatzijde witte elementen met gebogen hoeken, een membraangevel in groen-geanodiseerd aluminium bovenop, en aan de flanken natuursteen in combinatie met datzelfde groene aluminium. De kers op de taart is een houten dakopbouw met restaurant en dakterrassen. De jury noemde het resultaat open, transparant en krachtig, en inderdaad: op de plek van een afgedankte overheidskolos staat nu een gebouw waar je graag naar binnen loopt.
Lighthouse zet Eindhoven op 109 meter hoogte
De Zwarte Hond leverde op Strijp-S in Eindhoven het gebouw af waar je in het straatbeeld niet omheen kunt. Lighthouse is 109 meter hoog en verenigt 324 huurappartementen tussen de veertig en honderdtien vierkante meter, negen penthouses en een plint met commerciële en sociale functies. De Philitelaan, tussen Klokgebouw en Machinekamer, heeft er een nieuw ijkpunt bij.
De toren is opgetrokken in baksteen, met een verticale sculptuur van uitspringende en terugwijkende volumes. Die ritmiek verwijst regelrecht naar Dirk Roosenburg, de huisarchitect van Philips die ooit het karakter van dit terrein bepaalde. Op technisch vlak is het gebouw uitgerust met Reynaers MasterLine 8 en ConceptWall 50, plus speciaal ontworpen Harbour Windows die ventilatie en geluidsdemping combineren. Dat laatste is in een woontoren van dit formaat geen luxe maar bittere noodzaak, zeker in een stadsdeel waar festivals, horeca en railverkeer naast elkaar bestaan. Dat een nieuwbouwproject van deze schaal überhaupt de finale haalt, zegt iets over waar Nederlandse architectuur naartoe beweegt: meer volume, meer gelaagdheid in de plattegrond, en geen concessies aan de plint. Wie nog tegen de open-plan-reflex aanschopt, kan daar in deze analyse over het einde van de open plattegrond meer over lezen.
Het Zuider geeft Rotterdam zijn ziekenhuis terug
De vierde finalist zit in Rotterdam-Zuid. Het voormalige Zuiderziekenhuis werd tussen 1929 en 1939 gebouwd door stadsarchitect Adriaan van der Steur, en stond al jaren te wachten op een nieuwe rol. Die kreeg het in de vorm van 72 appartementen in het hoofdgebouw, dat nu Het Zuider Carré heet, plus dertig paviljoenwoningen rond een binnenhof. Het gymnasium kreeg een plek in het voormalige poortgebouw.
Molenaar en Co. Architecten tekende voor het hoofdgebouw en het poortgebouw, terwijl 01-10 Architecten de twee paviljoens ontwierp. De oorspronkelijke stalen ramen zijn vervangen door slanke geïsoleerde aluminium kozijnen met exact dezelfde raamindeling. Erkers, trappenhuizen en de karakteristieke gevelritmiek zijn behouden. Voor een project van deze omvang had het zo makkelijk mis kunnen gaan, met standaardkozijnen die de gevel platgedrukt hadden. Dat het is gelukt om het gebouw te moderniseren zonder de ziel eruit te halen, is precies waarom de jury dit ensemble noemt als voorbeeld van hoe je historisch erfgoed aanpakt. Voor wie dieper wil duiken in deze afweging is het vraagstuk van karakter bij renovatie een goede volgende leesstap.
Wat deze vier gebouwen vertellen over 2026
Neem ze bij elkaar en je ziet een beweging. Twee van de vier finalisten zijn transformaties, en dat is geen toeval: de Nederlandse architectuur rekent in toenemende mate af met het idee dat elk opvallend gebouw nieuwbouw moet zijn. Embodied carbon, schaarse bouwlocaties en een groeiende waardering voor patina wijzen allemaal dezelfde kant op. Tegelijk laten Dolmen en Lighthouse zien dat nieuwbouw nog steeds ruimte biedt voor extremen, van een huis dat nauwelijks de grond raakt tot een toren die meer dan honderd meter boven het maaiveld uitkomt.
Materiaalkeuze speelt in alle vier de ontwerpen een bepalende rol. Baksteen op Lighthouse, groen-geanodiseerd aluminium in Den Bosch, hout op de Veluwe en een trouw gerestaureerde aluminium raamindeling in Rotterdam, stuk voor stuk keuzes die de gevel niet als achtergrond behandelen maar als het eigenlijke onderwerp. Dat is ook de reden dat juist de Reynaers Projectprijs een interessante graadmeter is. De vakjury kijkt bij deze prijs expliciet naar architectuur, daglicht, detaillering en uitvoering, niet naar spektakelwaarde alleen. Welk van deze vier gebouwen uiteindelijk wint, weten we pas na de publieksstemming in juni. Wat ze nu al bewijzen, is dat Nederlandse architectuur in 2026 minder in stromingen denkt en meer in locaties. En dat is misschien wel de gezondste trend van dit decennium.