Architectuur

Waarom architecten weer sierlijke gevels metselen

· 5 min leestijd

Jarenlang leken nieuwe luxewoningen één en hetzelfde streven te hebben: hoe strakker de gevel, hoe beter. Gladde stucwerken, strak gevoegde baksteen zonder patroon, wanden van glas zonder één onderbreking. Die tijd loopt ten einde. In 2026 keren architecten massaal terug naar iets dat decennialang als kitsch werd weggezet. Ornament. Patronen. Reliëf. Gevels die op zichzelf al iets te zeggen hebben voordat je door de voordeur bent.

De gladde gevel raakt uit de gratie

Architectuurmagazine Dezeen opende het jaar met een duidelijke conclusie: 2026 wordt het jaar waarin strak minimalisme wijkt voor tastbaarheid en karakter. Niet alleen binnen, maar juist aan de buitenkant van het huis. Architecten zoeken oppervlakken die je wilt aanraken, die een schaduwspel geven bij laag licht en die verraden dat er een mens met een ambacht aan te pas kwam.

Die koerswijziging staat niet op zichzelf. We zagen eerder al dat brons en marmer de glazen gevel verdringen en dat architecten afrekenen met de open plattegrond. Het patroon is duidelijk. De generieke glaskoepel, de witte betonbak, de volledig gladde façade: allemaal verliezen ze terrein.

Baksteen wordt het sculpturale materiaal van 2026

Het materiaal dat het hardst profiteert, is opvallend genoeg het oudste dat we hebben. Gebakken klei wordt al duizenden jaren in gevels verwerkt en is in Nederland zo normaal dat we er nauwelijks naar kijken. Volgens het overzicht van baksteen op Wikipedia is het fabricageprincipe sinds de Romeinen nauwelijks veranderd. Wat wél is veranderd, is hoe architecten ermee omgaan.

Waar bakstenen ooit vooral dienden om een vlakke muur te maken, gebruiken ontwerpers ze nu als bouwstenen voor een reliëf. Ze roteren stenen, metselen ze verspringend, laten hoeken vooruitspringen of juist terugvallen. Het resultaat is een gevel die van dichtbij een patroon vormt en van de overkant van de straat een textuur.

Vier projecten die de toon zetten

Wie door recente publicaties bladert, ziet het patroon bevestigd. In Brooklyn verrees One Park Point, een nieuwe residentiële toren waarvoor fabrikant Belden Brick een baksteen ontwikkelde met een zaagtandprofiel. De art-deco-verwijzingen komen terug in verticale strepen die het licht op heel verschillende manieren vangen, afhankelijk van het tijdstip.

In Londen leverde Bureau de Change een aanbouw aan W House op, bekleed met lichtgele stenen. Niet de kleur maakt het verhaal, maar de manier van metselen: de bakstenen zijn geroteerd en gespiegeld, zodat de hele wand beweging krijgt. Een paar straten verderop bouwde Of Architecture de Woodbury Residence, een woning die van buiten op het eerste gezicht lijkt op zijn Edwardiaanse buren, maar bij nader inzien een subtiel gekromde gevel heeft.

Dichter bij huis, in Gent, staat Glass Brick House van Delmulle Delmulle Architecten. Daar combineren de architecten matglazen bakstenen met keramische tegels in een patroon dat rechtstreeks verwijst naar de gevelritmes van de buurt. Het huis laat zien dat ornament niet per se opvallend hoeft te zijn; het mag ook fluisteren.

Waarom dit in Nederland extra betekenis heeft

Nederland heeft een ongemakkelijke verhouding met zijn eigen baksteenarchitectuur. De Amsterdamse School, de Delftse School, de grachtenpanden, de jaren-dertig-wijken: allemaal draaien ze om metselwerk met durf. Toch kozen we de afgelopen vijftien jaar massaal voor nieuwbouwwijken met volstrekt identieke, gladde rijtjes. Architect Adolf Loos stelde ruim een eeuw geleden dat ornament misdaad was, een gedachte die via het modernisme diep in het Nederlandse bouwbeleid is doorgesijpeld. Meer over die historische discussie is te lezen in het Engelstalige artikel over ornament in de kunstgeschiedenis.

Die redenering komt onder druk te staan. Opdrachtgevers in het luxesegment vragen hun architect nu juist om karakter, niet om strakheid. Ook projectontwikkelaars passen zich aan. Meerdere Nederlandse bureaus verwerken ondertussen handmatige metselpatronen in villa's die twee jaar geleden nog wit stucwerk hadden gekregen.

Ambacht keert terug, met een prijskaartje

Mooie baksteenpatronen metselen is vakwerk. Een wand vol geroteerde en voorspringende stenen vraagt meer dan het dubbele aan arbeid vergeleken met een standaard muur. Dat maakt ornament automatisch een luxegoed. Niet omdat het materiaal duur is, maar omdat de tijd van een goede metselaar dat is.

Precies daarom past de trend in een bredere beweging die we ook zagen toen het wow-huis zijn langste tijd had gehad. Luxe in 2026 zit niet langer in grote glazen puien of spectaculaire overhangen, maar in hoe lang iemand met een troffel in de hand aan je gevel heeft gestaan. Minder show, meer ambacht.

Wat je morgen anders ziet in je straat

Pas op: wie één keer op gevelpatronen let, kan niet meer stoppen. De oude jaren-dertig-panden in je straat blijken plots vol variaties in metselwerk te zitten die je nooit eerder zag. De nieuwbouw ernaast oogt er opeens wat armoedig bij. Misschien is dat ook precies wat architecten in 2026 willen bereiken. Dat we weer kijken naar wat er met stenen is gedaan, in plaats van ze op te laten gaan in een glasvlak.

M
Geschreven door Maarten de Groot Wonen & klussen schrijver

Maarten is timmerman die de overstap maakte naar schrijven toen hij merkte dat hij beter kan uitleggen hoe iets moet dan het zelf netjes afmaken, een zeldzaam moment van zelfkennis. Hij schrijft over klussen, verbouwen en alles wat met een huis te maken heeft, van fundering tot dakkapel. Zijn gereedschapskist is beter georganiseerd dan zijn bureau, maar dat zegt meer over de staat van zijn bureau dan over zijn gereedschap. In zijn werkplaats hangt een bordje met meten is weten, maar hij geeft eerlijk toe dat hij soms ook gewoon op gevoel zaagt. Lezers waarderen zijn no-nonsense aanpak en het feit dat hij fouten niet wegpoetst maar juist deelt als leermomenten. Als hij een euro had gekregen voor elke keer dat iemand hem vroeg of laminaat ook goed is, had hij allang met pensioen gekund.