Vorige week opende in Londen een museum dat op het eerste gezicht nergens op lijkt. Het staat in de voormalige Olympische parken van 2012, draagt een geplooide jas van 479 betonpanelen en is vernoemd naar een concept dat eigenlijk uit de couture komt. Het V&A East is sinds 18 april open voor publiek, en het is een van de meest besproken gebouwen van dit voorjaar.
Architect John Tuomey van het Ierse bureau O'Donnell + Tuomey ontwierp het met een Balenciaga-jurk in zijn hoofd. Dat klinkt als een gimmick, maar het is serieuzer dan dat. En het verklaart waarom dit gebouw zo anders aanvoelt dan de meeste nieuwe musea van de afgelopen jaren.
Van Olympisch park naar cultureel kwartier
Het gebouw zelf staat in Queen Elizabeth Olympic Park in Stratford, Oost-Londen. Dat gebied kreeg na de Olympische Spelen van 2012 niet de culturele opwaardering waar destijds op gehoopt werd. Veel sportfaciliteiten gingen in gebruik bij verenigingen, maar de belofte van een nieuw stedelijk centrum bleef jaren hangen. Pas de afgelopen drie jaar kreeg dat deel van de stad serieus vorm onder de naam East Bank.
De V&A East Museum is nu het gebouw dat East Bank af maakt. Het zusterproject, de V&A East Storehouse van het New Yorkse bureau Diller Scofidio + Renfro, ging in mei 2025 al open. Dat is een werkend depot, geen museum, waar bezoekers tussen de opslagrekken kunnen wandelen en 250.000 objecten van dichtbij kunnen bekijken. De combinatie van beide gebouwen maakt het stedelijk kwartier compleet. Net zoals andere steden hun culturele kernen opnieuw uitvinden, probeert Londen hier iets dat Zuid-Kensington nooit kon bieden: ruimte en een leeg doek.
Waarom een Balenciaga-jas het startpunt was
John Tuomey liep in 2017 door een tentoonstelling over Cristóbal Balenciaga in het originele V&A in Zuid-Kensington. Hij raakte gefascineerd door de ruimte tussen een jas en het lichaam dat hem draagt. De Japanse modeontwerpers die Balenciaga zelf bewonderde noemen die ruimte Ma: het actieve niets tussen twee vormen. Geen lege ruimte, maar een aanwezigheid.
Die observatie werd het uitgangspunt voor het gevelontwerp. Tuomey wilde een buitenkant die niet strak tegen de binnenkant aan zit, maar daar losjes overheen valt. Daarom heeft het gebouw geen rechthoekige basis. De plattegrond wringt en golft, alsof de gevel om het programma heen is gedrapeerd.
Dat soort redeneringen klinken vaak als achteraf-beargumentering in architectenland, maar hier klopt het echt in het gebouw. Wie er omheen loopt, ziet geen hoeken zoals bij een doos. De panelen volgen een lange, ononderbroken lijn die steeds iets verschuift. Het silhouet verandert per stap.
De 479 panelen en wat ze doen
De gevel bestaat uit 479 geprefabriceerde betonpanelen in een zanderige crèmekleur. Elk paneel is gegoten met een reliëf dat verwijst naar het officiële logo van het V&A, de ineengevlochten letters uit 1989. Op afstand ziet het eruit als één grote textuur. Van dichtbij blijkt dat elk paneel eigen lijnen heeft die van links naar rechts doorlopen.
Beton als kostuum werkt alleen als het licht meespeelt. De ontwerpers kozen bewust voor scherpe diagonale groeven omdat die gedurende de dag verschillende schaduwen gooien. 's Ochtends vangt het reliëf zijdelings licht en oogt het grafisch. Rond het middaguur vlakt het af. Laat in de middag verdiept het zich weer. Dat aflezen van licht en schaduw is een bekende truc in de materiaalbouw, maar voelt hier als een bewuste afwijzing van de glazen vitrinegevel die het straatbeeld van musea het afgelopen decennium bepaalde. Die verschuiving van glas naar massieve materialen zie je bij meer nieuwe publieke gebouwen terug.
Er is iets praktisch aan deze keuze dat snel over het hoofd wordt gezien. Geprefabriceerde panelen zijn in een fabriek gegoten, niet op de bouwplaats. Dat versnelde het werk met maanden, en het verlaagde de kans op foutmarges in de vormgeving. Voor een bureau dat een niet-orthogonale vorm wilde bouwen zonder het budget te laten ontsporen was dat een voorwaarde, geen bijvangst.
Het Storehouse was eigenlijk de radicalere zet
Interessant genoeg is het Storehouse-gebouw van DS+R het project dat de discussie het sterkst heeft verschoven. Dat draait een oude logica om. Musea bewaren hun collectie achter gesloten deuren en tonen een klein percentage in zalen. Het V&A besloot bij East om de verhouding bijna om te keren. In het Storehouse zijn 250.000 objecten, 350.000 boeken en 1.000 archieven tegelijk zichtbaar, tussen openlijke stellingen in een oude hangar van de Olympische broadcastruimte.
Dat betekent dat de programmering van het nieuwe museumgebouw niet het gebruikelijke groots vertoon hoeft te zijn. In de vijf verdiepingen van het V&A East zitten twee permanente galerijen, een wisselruimte van 900 vierkante meter, een project- en evenementenetage, een leerplek, een café en een winkel. Relatief bescheiden dus. De zwaartekracht zit in het Storehouse, het museum is de plek waar de verhalen worden verteld.
Voor bezoekers is die opdeling prettig. Je gaat naar het ene gebouw voor een tentoonstelling met een narratief, en naar het andere voor het vrije rondneuzen tussen gereedschap, kostuums, meubelen en miniatuurmodellen. Voor architectonische liefhebbers is het ook plezierig dat de twee bureaus elkaar niet imiteerden. DS+R koos voor een industriële herontwikkeling, O'Donnell + Tuomey voor een sculpturaal nieuwbouwproject. Het is niet dezelfde taal, en juist daardoor werkt het als koppel.
Dit zegt iets over wat publieke gebouwen nu weer doen
De afgelopen tien jaar leek museumarchitectuur op te drogen rond iconische herhalingsbewegingen. Strakke witte dozen van de laatste Zaha Hadid-fase, of de omgekeerde kubus van glas en staal. Het V&A East laat zien dat een publiek gebouw weer iets mag zijn dat een verhaal vertelt in zijn vorm, zonder spektakel of pompeuze gebaren. De keuze voor een jas als startpunt is ongewoon, maar de uitvoering is vakmanschap. Precies het soort karaktervolle architectuur waar vakbladen weer over spreken.
Voor iedereen die van plan is Londen te bezoeken, het is een halte op de Jubilee Line vanaf het centrum. De toegang is gratis, zoals bij alle V&A-locaties. Wie tijd heeft, doet beide gebouwen op één dag, begin bij het Storehouse en eindig bij het museum. In die volgorde zie je hoe een collectie wordt bewaard, en daarna wat je ermee kunt vertellen. Het is een van de weinige plekken ter wereld waar je die twee kanten op dezelfde middag ziet. Meer achtergrond bij de bredere context van het East Bank-project op Wikipedia.