Tot vorige week was Île de Bendor in handen van de erven Ricard en al jaren grotendeels gesloten. Op 1 mei opende het zeven hectare grote privé-eiland voor de kust van Bandol opnieuw als hotel, na een vijf jaar lange restauratie van Zannier Hotels en de familie van pastis-pionier Paul Ricard. Drieënnegentig kamers in drie verschillende sferen, drie restaurants, vier bars en een uitgebreid wellnesscentrum. Het meest opvallende: ze willen niet wegcijferen wat Bendor een halve eeuw geleden was.
Het eiland dat Ricard kocht in de jaren vijftig
Paul Ricard, de Marseillais die met zijn anijslikeur in de jaren dertig een Frans icoon werd, kocht Île de Bendor in de jaren vijftig. Zijn doel was niet hotelmatig: hij wilde van het kleine eilandje een ontmoetingsplek voor kunstenaars, zeilers, schrijvers en families maken. Hij liet er een Provençaals dorp bouwen met smalle straatjes, een haventje en een verzameling ateliers waar makers konden werken in ruil voor exposeren. Decennialang was het een vrij ongepolijste plek waar mensen kwamen, dronken, schilderden en weer vertrokken. Voor wie meer wil weten over de man achter het eiland: de Wikipedia-pagina van Paul Ricard geeft een goed startpunt.
Na zijn dood in 1997 verloor het eiland gestaag aan glans. De ateliers liepen leeg, de paviljoenen verkommerden, en zonder duidelijk plan dreigde Bendor uit het collectieve geheugen te verdwijnen. Marc de Jouffroy, achterkleinzoon van Ricard en de huidige CEO van het Paul Ricard-bedrijf, besloot in 2021 dat het eiland óf serieus opnieuw moest beginnen óf zou afglijden. Hij koos voor het eerste en zocht een hotelketen die de geschiedenis niet wilde wegpoetsen. Dat werd het Belgische Zannier Hotels, bekend van rustige luxe op afgelegen plekken. Net als Amangiri in Utah kiest Zannier hier voor schaalverkleining boven uitbreiding.
Drie buurten op zeven hectare
De drieënnegentig kamers zijn over drie locaties verdeeld, elk met een eigen sfeer. Delos heeft negenendertig kamers en knipoogt naar de Côte d'Azur van de jaren zestig: zachte rondingen, getemde tonen, klein-glamourige meubels die je in een Riva-boot zou verwachten. Soukana is de wellnesskant met negenenveertig kamers, gebouwd rond herstellen en ontkoppelen, met natuurlijke materialen en open ruimtes die niet aanvoelen als gestyled. Madrague is het meest verrassende: vijf voormalige vissershuisjes met twee verdiepingen, ieder met eigen tuin, vlak bij de haven, bedoeld voor jonge gezinnen die geen interesse hebben in een suite-met-conciërge.
De drie concepten zijn niet alleen visueel verschillend. Ze zijn ook ruimtelijk verspreid, zodat het eiland niet voelt als één hotel maar als een dorp met buurten. Wie in Madrague boekt zit niet aan dezelfde kant als wie in Soukana naar yoga gaat. Dat ze het zo hebben opgesplitst is veelzeggend: in plaats van het eiland als één geheel te branden, gokt Zannier op de oude logica van Bendor, namelijk dat een dorp meer kanten heeft dan een resort.
De architecten die niet sloopten
De Parijse studio Hardel Le Bihan Architectes leidde de bouwkundige restauratie. Hun aanpak was opmerkelijk terughoudend: ze sloopten weinig en bouwden waar mogelijk binnen bestaande mantels. De ateliers van Ricard staan er nog, drie ervan zijn weer in gebruik door echte makers en vormen samen een nieuwe artisanale enclave. De kunstgalerij die er ooit was, opent ook opnieuw. Voor de interieurs tekende Zannier Design Studio, dat zoals gewoonlijk werkt met natuurlijke materialen, lokaal hout en stoffen die in zuid-Frankrijk worden geweven. Geen marmer waar het niet hoort, geen vergulde details die proberen iets te zijn dat het niet is. Anders dan het Courchevel-chalet met zoutbars heeft Bendor geen behoefte aan visueel theater.
Wat opvalt is dat het eiland geen poging doet zich modern te plaatsen. Geen futuristische paviljoens, geen glasconstructies, geen wow-momenten. Dat is een keuze, en geen automatische. In een tijd waarin elk nieuw hotel een Instagram-decor wil zijn, kiest Bendor voor een terughoudendheid die nog moet bewijzen of ze ook commercieel werkt.
Drie restaurants en de chef uit Marseille
Achter alle keukens staat Lionel Levy, een Marseillais die zijn ster verdiende met Une Table au Sud en daarvoor in een rij Michelin-restaurants door zuid-Frankrijk werkte. Hij maakt de menu's voor de restaurants, bars en café-creperie op het eiland, van een visadres aan de haven tot een meer formele setting in Delos. Zijn kookstijl is stevig regionaal: Provence, Marseille, het achterland. Geen pogingen om wereldkeuken te proberen, geen fusion. Voor wie pastis associeert met een aperitief in de buurt van Bandol klinkt dat als logisch, maar het is een keuze: andere ketens zouden hier een internationaal team naartoe halen om bij Aziatisch geld te kunnen aankloppen.
De eet- en drinkgelegenheden variëren bewust in toegankelijkheid. Sommige zijn voor hotelgasten alleen, andere staan open voor dagbezoekers die met de veerboot uit Bandol komen. Dat laatste is wezenlijk: Bendor was nooit een afgesloten enclave, en de hereniging met dagbezoekers is een hommage aan hoe Ricard het bedoelde.
Wat dit voor de Provence-kust betekent
Bandol zelf is bij Nederlandse zomerreizigers minder bekend dan Saint-Tropez of Cassis, hoewel de wijnstreek even oud en interessanter is. Met Bendor erbij krijgt het stuk kust ineens een eindbestemming met internationale aantrekkingskracht. Net als bij het Griekse hotel dat in de rotswand verdwijnt kan één goed uitgevoerd project een hele regio omhoog stuwen op de mentale kaart van luxe-reizigers. Reisblad AFAR schreef recent uitgebreid over de heropening.
Voor wie het eiland van vroeger nog kent: dat is grotendeels weg. De ongepolijste, ietwat versleten Provence-charme van na Ricards dood heeft plaatsgemaakt voor een gepoetste versie. Of dat winst is hangt af van wat je zocht. De pastis-bar in het centrum van het dorp is er nog. Dat blijkt symbolisch belangrijker dan het op papier lijkt.