Architectuur

Bjarke Ingels bouwt zijn eerste Japanse villa's in stampleem

· 5 min leestijd

Op het zuidwestelijke uiteinde van Sagishima, een vrijwel onbewoond eiland in de Japanse Seto-binnenzee, staan sinds april drie villa's die niemand zomaar kan boeken. Ze zijn van Bjarke Ingels Group, het Deense bureau dat zijn naam vooral vestigde met spectaculaire stadsprojecten. Het zijn de eerste afgeronde gebouwen die BIG ooit in Japan oplevert, en het bureau koos er bewust voor om klein te beginnen, ver van Tokio, op een hellingvlak van dertigduizend vierkante meter dat alleen via de zee bereikbaar is.

Het project heet NOT A HOTEL Setouchi en het is geen klassiek resort. Eigenaren kopen een fractie van een villa en wisselen hun nachten desgewenst om voor verblijven elders in het portfolio van NOT A HOTEL. Drie villa's, drie uitzichthoeken, een gedeeld restaurantpaviljoen en een privéstrand dat op niemand anders dan de bewoners wacht.

Drie villa's, drie hoeken op zee

De villa's heten 360, 270 en 180. Niet om hun grootte, maar om hoeveel graden uitzicht ze prijsgeven over de Seto-binnenzee. De 360-villa zit bovenop de heuvel en draait letterlijk de hele kim om je heen. De 270 ligt iets lager, met de heuvelrug aan de achterzijde. De 180 hangt aan de kustkant en kijkt strak vooruit, alsof iemand het beeld in tweeën heeft gesneden.

De drie volumes zijn ingegraven in het hellingvlak. BIG koos voor dragende muren van stampleem, oftewel rammed earth: aarde die laagsgewijs wordt aangestampt tot ze de stevigheid van zachte steen krijgt. De grond zelf komt uit de heuvel waarop de villa's staan. Niets is geïmporteerd. Wat eruit gegraven werd, staat nu rechtop. Het levert geveloppervlakken op met de horizontale strepen die je kent van geologische lagen, en een tactiele warmte die beton nooit haalt.

Japans denken, Scandinavische hand

De vormtaal leent ruim van de traditionele Japanse architectuur, maar zonder pastiche. De glazen schuifgevels werken als shoji-schermen op grote schaal: ze laten de grens tussen binnen en buiten vervagen totdat het verschil bijna alleen nog tocht is. De vloeren zijn van zwarte leisteen, gelegd in een raster dat tatami-matten naroept zonder ze letterlijk te kopiëren. Hetzelfde geldt voor de daken, die de gestrekte lijnen van een Japans landhuis volgen maar met een Deense voorkeur voor abstractie zijn herzien.

Wie vaker met BIG-werk in aanraking komt, herkent de aanpak: een sterk lokaal motief dat door de Scandinavische zeef wordt gehaald. Die methode zagen we eerder ook bij het bergvormige woonproject in Toronto, al pakt het op een Japans eiland natuurlijk volstrekt anders uit dan in een Canadese binnenstad.

Waarom stampleem terugkeert

Stampleem is geen modernistische kunstgreep. Mensen bouwen er al millennia mee, van de Chinese Muur tot Marokkaanse kasbahs. De techniek verdween in de twintigste eeuw onder een laag beton, maar architecten halen ze de laatste jaren weer op. Dezelfde beweging zien we in het Memphis-museum dat helemaal uit massief hout wordt opgetrokken: een terugkeer naar materialen met een lage CO2-voetafdruk en een tastbare oppervlaktekwaliteit.

Voor BIG telt nog iets anders mee. Stampleem laat zich niet glad afwerken. Elke wand vertelt waar de aarde vandaan kwam, in welke volgorde ze gestort is, hoe vochtig ze was tijdens het stampen. Dat past bij een gebouw dat niet wil doen alsof het in een fabriek is gemaakt. Het past ook bij een eiland waar je vooral hoort dat je heel ergens anders bent.

Eilandlogistiek en eigendom

Sagishima ligt in de prefectuur Hiroshima en heeft minder inwoners dan een gemiddelde Amsterdamse galerijflat. Bouwen op zo'n locatie is logistiek pijnlijk: alle materialen moeten met de boot komen, of in dit geval, voor het grootste deel uit de grond zelf. Dat gegeven dwong BIG tot een bouwmethode die zichzelf gedeeltelijk produceert. Het model van fractionele eigendom, waarbij meerdere kopers samen een villa bezitten en een aantal nachten per jaar mogen gebruiken, financierde de boel al voor de eerste schop in de grond ging.

Daarmee verschuift het project naar een hybride categorie. Geen klassiek tweede huis, geen klassiek hotel, ook geen pure beleggingscasus. Het lijkt eerder op de manier waarop sommige Nederlandse architectuurbureaus omgaan met meervoudig wonen, denk aan het gestapelde Amsterdamse woonproject van Studioninedots, alleen dan op een Japans eiland en met de bijbehorende uitzichten op de zee.

Wat dit zegt over BIG's volgende stap

Dat Bjarke Ingels Group pas in 2026 zijn eerste Japanse gebouwen oplevert, terwijl het bureau al meer dan twintig jaar bestaat, is geen toeval. Japan heeft een uitzonderlijk sterke eigen architectuurcultuur, met namen als Tadao Ando, Kengo Kuma en Sou Fujimoto die internationaal de toon zetten. Vreemde architecten worden er niet snel binnengelaten. Met Setouchi gaat BIG niet de competitie aan met Japanse iconen op een prestigeklus in Tokio. Het bureau kiest voor een afgelegen eiland, een lokale techniek en een schaal die overzichtelijk blijft.

Voor wie van architectuur houdt, is dat een interessante zet. Het laat zien dat een groot bureau ook in zijn eerste contact met een nieuwe context kleiner kan denken dan zijn reputatie eist. Het officiële projectdossier op de site van BIG toont de hele plattegrond, inclusief de manier waarop de drie villa's zich tot elkaar verhouden. En wie meer over Bjarke Ingels Group wil weten, vindt op Wikipedia een overzicht van het bureau en zijn werk tot nu toe.

Wat dit voor de rest van de Japanse kust wil zeggen, is nog open. NOT A HOTEL groeit hard, en architecten als BIG zijn duur. Maar een ding is na Setouchi duidelijk: een hellingvlak op een vrijwel leeg eiland kan, met de juiste aanpak, een statement worden zonder dat er ook maar een Instagram-vriendelijk hoekje hoeft te zijn ingepland.

M
Geschreven door Maarten de Groot Wonen & klussen schrijver

Maarten is timmerman die de overstap maakte naar schrijven toen hij merkte dat hij beter kan uitleggen hoe iets moet dan het zelf netjes afmaken, een zeldzaam moment van zelfkennis. Hij schrijft over klussen, verbouwen en alles wat met een huis te maken heeft, van fundering tot dakkapel. Zijn gereedschapskist is beter georganiseerd dan zijn bureau, maar dat zegt meer over de staat van zijn bureau dan over zijn gereedschap. In zijn werkplaats hangt een bordje met meten is weten, maar hij geeft eerlijk toe dat hij soms ook gewoon op gevoel zaagt. Lezers waarderen zijn no-nonsense aanpak en het feit dat hij fouten niet wegpoetst maar juist deelt als leermomenten. Als hij een euro had gekregen voor elke keer dat iemand hem vroeg of laminaat ook goed is, had hij allang met pensioen gekund.